Suzanne De Becker, beter bekend als ‘Mie Gareel’, overleden op 97-jarige leeftijd

Leuven
Afbeelding

Suzanne De Becker, beter bekend als ‘Mie Gareel’ is dinsdag overleden op 97-jarige leeftijd. 

In het boek ‘Straathistories: Vaartkom weerspiegeld’ wordt de historie van ‘Mie Gareel’ uitgebreid uit de doeken gedaan. Onderstaande passage komt dan ook (quasi) integraal uit het boek.

“Een afgedankte wasmachine, een kapot gebrande kachelpot, een stapel loden buizen die je aan een herbouwing overhield... Je ging er mee naar Mie Gareel. En met een beetje geluk kwam je ook nog met een extra zakcentje naar huis. Hoe het bedrijf aan de Minckelersstraat ontstond, weet nazaat Suzanne De Becker ook niet exact. Ze heeft het ook maar van horen vertellen, weliswaar van haar vader”, klinkt het in het boek. 

“Waar het bedrijf gelegen was, zou ooit een afspanning hebben bestaan. Ik spreek van rond 1830-1840, dus al lang geleden”, zo vertelde Suzanne De Becker zelf. “Toen kwam men daar nog toe met paard en koets. Mijn overgrootvader, Eugidius De Becker, werkte daar als gareelmaker om eventueel noodzakelijke herstellingen aan het paardentuig te doen. Hoe hij ooit begon met het opkopen van oud ijzer, wist ook mijn vader niet te vertellen. Waarschijnlijk als een vorm van ruilhandel, zoals dat in die tijd nogal vaak gebeurde. De vrouw van overgrootvader heette Marie. De mensen spraken daarover als Marie van de gareelmaker of - in het Leuvens - ‘Mie Gareel’. Die naam is altijd blijven hangen, vier generaties lang. Ik ben er in 1992 mee gestopt en voor de Leuvenaars heet ik nog altijd Mie Gareel, hoewel ik daar niet veel mee te maken heb, nietwaar”, zo vertelde ze.

Oud ijzer

In het begin van de jaren 1920 werkten er misschien wel dertig mensen in het bedrijf. In die tijd werden ook lompen opgekocht. Je had verschillende soorten die gesorteerd moesten worden. “Mijn vader had daarvoor speciale tafels laten bouwen, grote tafels met verscheidene
openingen in,” legde Suzanne uit. “Daaronder werden zakken gehangen en de vodden die op tafel werden gesorteerd, verdwenen dan per soort in die zakken: hier katoen, daar wol, daar weer iets anders. Ik heb als kind nog lang aan die tafels gespeeld. Die vodden waren maar een onderdeel van de handel, de hoofdmoot bestond toch uit metalen: ijzer, zink, lood, koper, tin enzovoort.”

Lompen konden zowat van overal komen, maar de oude metalen werden meestal aangeleverd door vakmensen: zinkbewerkers, loodgieters, dakdekkers... Die werkten meestal met metalen en hadden daar overschotten of snijafval van. Langsheen de Vaart had je ook veel fabrieken die met metaal werkten en hun metaalafval werd ook opgekocht. Mie Gareel had wel wat concurrentie, want in Leuven waren nog gelijkaardige bedrijven: eentje in de Pieter Nollekensstraat in Kessel-Lo en één in de Parkstraat. Dergelijke bedrijven in het midden van een stad waren destijds niet zeldzaam maar Suzanne weet toch dat haar vader een vergunning nodig had om zijn handel te mogen uitoefenen. “We moesten een vergoeding betalen aan de provincie en aan de stad. Die vergunning was dan 30 jaar geldig. Mijn vader is gestorven in 1961 en in de jaren ‘70 was zijn vergunning afgelopen. Ik diende weer een aanvraag in, maar toen was die vergunning maar tien jaar meer geldig. Nu ja, ik was toen ook al redelijk oud,” vertelde ze.

Geen opvolging

Het bedrijf is nu al heel wat jaren dicht. Er was geen erfopvolging meer en zo’n zaak is zeer moeilijk in vreemde handen over te dragen. “Je moet daar al min of meer in grootgebracht zijn, niet iedereen wil dat doen,” weet Suzanne. Bovendien mag zo’n zaak wegens geluidsoverlast en hinder voor omwonenden niet langer in de stadskern worden uitgebaat. Suzanne vreest dat ze geen nieuwe vergunning meer zou gekregen hebben. “Onder mijn klanten was iemand die ramen in aluminium maakte en die had me al dikwijls gezegd: de dag dat je je gebouw wilt verkopen of verhuren, ben ik wel liefhebber. Ik heb hem dat niet gezegd, maar bij mezelf heb ik wel gedacht: je zou nooit een vergunning krijgen, want aluminium profielen zagen met een zaagmachine gebeurt ook niet zonder lawaai, hé.”

Van alles en nog wat

Over de vroegere toestand van de buurt herinnert Suzanne zich maar weinig. “In die tijd was ik nog jong en niet zo erg bezig met wat hier allemaal gebeurde,” legde ze uit. Ze weet wel dat er in de onmiddellijke buurt zowat van alles aanwezig was: een haarkapper aan de brug over de Dijle, Theo heette die. Voor het (nu alweer afgedankte) gebouw van de brandweer werd gebouwd, was daar een beenhouwerij, een kolenboer en een tegelhandel. Uiteraard bestond toen het café de Lantaarn al, en nog een café op de hoek van de Minckelersstraat met de Vaartstraat. Waar nu de ringweg loopt, naast het hoofdkantoor van AB Inbev, had je een smid, twee tot drie café’s, een vishandel en een mosselboer. Aan de overkant van de Vaart waren het meestal handelszaken in graan. Ze herinnert zich nog goed dat de Vaart twee keer gebombardeerd werd tijdens Wereldoorlog II en dat daarom enkele bedrijven zijn weggegaan. Andere investeerden opnieuw en kenden toch een mooie groei. Uiteraard zijn er veel zaken verdwenen. Ook het intense spoorverkeer aan het Engels Plein en rond het Entrepot herinnert ze zich nog goed.

Feest vieren

Van haar vader heeft Suzanne horen vertellen dat er in zijn jonge tijd aan de Vaart elk jaar een kermis was. Hoe dat eruit zag, weet ze niet. “Het had zeker niet de omvang van die wat nu op het Ladeuzeplein staat,” zei ze lachend. “Mijn vader vertelde ook dat in het begin van de jaren 1900 het ooit zo hard winterde dat die kermis op het ijs in de Vaartkom werd gezet. Heel de Vaart was tot in Mechelen dichtgevroren.” Het mooiste feest dat ooit aan de Vaart plaatsvond, was voor Suzanne de viering van 550 jaar stadhuis in 1998. Het stadhuis werd gebouwd in de helft van de 15de eeuw en veel van de stenen voor de gevel kwamen uit het noorden van Frankrijk. Die werden via de Dijle aangevoerd. Zoveel honderden jaren later wilde men dat nog eens overdoen. Uit de ondergrondse groeve van Avesnes-le-Sec werden enkele stenen naar Leuven gebracht met een vloot antieke schepen. Die kwamen hier dan in de Vaartkom aan en de stenen werden in een feestelijke stoet naar het stadhuis gebracht. Die boten zijn enkele dagen blijven liggen en dat was echt mooi om zien”, aldus Suzanne.

Blijkt dat Suzanne De Becker een familieband heeft met de Molens van Orshoven. “De grootmoeder van Dominique Van Doren was een zuster van mijn vader, dat was dus een tante van mij. Dominique en ik zijn achternichten.” De toekomstplannen voor de Vaartkom ziet Suzanne best zitten. “Er is sprake van woningen voor zowat 5.000 mensen hier aan de Vaart. Dat vind ik toch wel heel interessant. Dat zal een heel ander leven, een tweede leven, geven aan de buurt.” “Mag ik tot besluit nog iets heel erg persoonlijks zeggen? Na al die jaren kennen de mensen me nog altijd als Mie Gareel. Ik ben daar heel trots op want dat maakt deel uit van de folklore van de stad.”

Zo besloot Suzanne haar passage in het boek. Een Leuvense legende is overleden, zoveel is duidelijk.