Column: De Wolf van de Walstraat Door Kristof Debecker

Bart Mertens
9 maanden geleden
301 Views
door Bart Mertens

In zijn column ‘De Wolf van de Walstraat’ laat journalist Kristof Debecker zijn licht/duisternis schijnen over de wereld. Net zoals de militaire troepen zich destijds bewogen via de walstraten aan de binnenkant van stadsmuren en omwallingen sluipt de wolf in Kristof Debecker met zijn pen door onze maatschappij. Soms messcherp en onverbiddelijk maar altijd met overtuiging.

Zondagochtend 3 uur. Compleet stijf en stram van een busrit van ruim drie uur wandel ik op een vrijwel verlaten parking in Heverlee naar mijn wagen. Op het radionieuws hoor ik nog net dat in het voetbal Sint-Truiden en Moeskroen 1-1 gelijk hebben gespeeld. Belangrijk sportnieuws zonder twijfel. Mijn gedachten glijden echter af naar hetgeen ik zelf enkele uren eerder heb ervaren in Heerenveen (Friesland). Thialf. Een absoluut heiligdom voor elke schaatsliefhebber. Een complex zo groot als een paar Sportoases samen. Een prachtige en moderne infrastructuur compleet uitgerust met businesslounges, vergaderzalen, ruime en frisse horecazaak, massa’s zittribunes en prachtige trainings- en voorbereidingsfaciliteiten. Dat we daar als Leuvense club al binnen mogen, voelde aan als een halve overwinning. Wij, Chiefs Leuven, de Leuvense ijshockeyclub. Bij sportliefhebbers bekend als de kleinere broer van OHL (voetbal), Leuven Bears (basket) en VHL (volley).

Ondanks het beperkte werkingsbudget al voor het derde jaar op rij middenmoter in de BeNe League ijshockey. Twee matchen per weekend. Ergens tussen Groningen en Luik. Een Canadese coach (tevens Belgisch bondscoach), twee Amerikanen en voor de rest jongens uit de eigen jeugdwerking. Leuvenaars die vrijwel allemaal al sinds hun 5e op het ijs staan en dit seizoen al wonnen tegen Nederlandse ploegen als Eindhoven, Tilburg en Geleen. Ook in Heerenveen lieten de Leuvense ijsduivels het stadslogo schitteren op het ijs van Thialf, al moesten de Chiefs wel de wet van de sterkste en de rijkste ondergaan.

Terwijl ik wat later op een verlaten Tiensesteenweg minutenlang voor een rood licht sta te wachten – in Nederland zou je zoiets dankzij de slimme verkeerslichten nooit voor hebben – vraag ik me af wat er misloopt in ons land. Op een paar uur rijden van Leuven spelen de ijshockeyers van pakweg Düsseldorf en Keulen elk weekend matchen voor 10 à 20.000 man. In een arena met een veelvoud van sfeer van een gemiddelde Jupiler League match voetbal en een klank-, licht- en lasershow waar je mond van open valt. Waarom kan zoiets hier niet? Waarom is er geen Thialf in Brussel of Leuven? Zelfs een nationaal voetbalstadion blijkt te hoog gegrepen. Een paar honderd meter verderop sta ik opnieuw stil. Opnieuw rood. Geen kat te zien. Wat is dat toch met dit land? Nodeloos stilstaan lijkt hier wel de regel. De nieuwslezer had gelijk. 1-1 spelen in een troosteloos sportstadion uit 1964. Daar zijn we goed in. Dat is wie we zijn en dus belangrijk nieuws. Bravo Moeskroen en Sint-Truiden. Bijna thuis. Ik troost me met de gedachte dat er later op de dag opnieuw een ijshockeymatch is. Een thuismatch ditmaal, op een ijsbaan uit 1980, door de Nederlanders smalend de ‘patattenschuur’ genoemd. ‘Consequent zijn ze wel, die Belgen’.

Over de auteur

Bart Mertens

Bart Mertens